veer

Column

veer

Lief Facebook

Ik weet hoe mijn vrienden ruiken

‘Maar het is wel makkelijk om mensen terug te vinden die je uit het oog bent verloren’, zegt mijn dochter iedere keer als ik vraag wat ze toch op Facebook zoekt, terwijl ze weet dat daar huiveringwekkend veel details van haar persoonlijk leven worden opgeslagen. Ik heb net voor de eerste keer Social Network gezien, die leuke roddelfilm die geen enkele kritische of inhoudelijke vraag stelt over het virtuele smoelenboek. Ik had gehoopt erachter te komen hoe het werkt, wat het geniale is achter het concept dat 800 miljoen mensen heeft ingelijfd. Daarvan telt Nederland een onbegrijpelijk aantal van 5 miljoen. Hebben we dan zoveel mensen die een toetsenbord kunnen bedienen?
Eva Jinek en ik moeten bij de weinigen horen die niet aan Facebook doen. Vandaag hoor ik van haar dat het ook bijzonder stom is om op ‘I like’ te klikken, want ook al kent Facebook je niet, dan houdt het toch je voorkeuren bij. Ik doe dat nooit; het lijkt me niet in mijn eigen belang. Toch krijg ik op wonderbaarlijke wijze altijd webreclames voor wandelsokken, slaapzakken en extra lange broeken te zien - en nooit voor bijvoorbeeld vazen, lampen of vakanties.
Ik moest op zoek naar het eerste en enige singeltje dat ik ooit gekocht heb, toen ik elf was. Those were the days, van Mary Hopkin. Destijds speelde ik het plaatje dertig keer af voordat ik het de volgende dag aan een vriendinnetje gaf voor haar verjaardag. Nu klik ik het op YouTube snikkend keer op keer opnieuw aan. En al die tijd glijden er rechts in de marge wandelsokken voorbij.
Nu blijkt ook mijn telefoon achter mijn rug om te spioneren. Alles wat ik doe op mijn telefoon wordt opgeslagen en gerapporteerd, onder het mom: zo kunnen we de behoeften van de gebruiker analyseren en smartphones beter maken. Elke pagina die ik aanklik, elke tweet wordt opgeslagen - zelfs sms’jes die ik niet verstuur omdat ze bij nader inzien niet zo aardig zijn. Ben ik lekker mee! Dan liever mijn oude Nokiaatje opdiepen.

Ik lees, op hetzelfde internet natuurlijk, dat het niet eens nodig is om iets te liken. Iets dat wrijvingloos delen heet (pardon, frictionless sharing natuurlijk) en waarvoor iedereen gedachteloos zijn toestemming geeft met het aanvinken van zo’n akkoordhokje, maakt het mogelijk dat al je ‘vrienden’ zien wat jij leest. Sommige mensen hebben duizenden Facebook-vrienden (wat moeten ze daar toch mee?). Duizenden mensen die kunnen weten dat jij een ongezonde interesse hebt voor inlegkruisjes en dikke mensen - bijvoorbeeld. Of voor terroristenkampen en fosfor. Die fantastische timeline van Facebook is een dagboek dat je nooit meer in de open haard kunt gooien. Je kunt Herman Cain gauwgauw ontvrienden, maar dan zal tot in de eeuwigheid toch op te zoeken zijn hoe leuk je hem ooit vond.

‘Ik heb niets te verbergen’, zegt iedereen die ik ken. Wat ontzettend raar en onwaar is. Natuurlijk wil jij niet dat ik weet dat je bh is opgevuld, dat je slip een luier verbergt, dat je man geslagen wil worden, dat je hond ongedierte heeft, dat je minnaar je heeft laten vallen voor zijn vrouw, dat je mooie lijn aan Atkins-shakes te danken is, dat je Blauw Bloed volgt, dat je van de smart drugs aan elkaar hangt, dat je heimelijk op Twan Huys geilt, dat je man niet weet van je schuld bij Wehkamp, dat je demente vader elke dag opnieuw vraagt of je de Kama Sutra voor hem wilt googelen en dat je antirimpelcremmetjes hamstert.
En willen jouw ‘vrienden’ dat wel weten? Natuurlijk niet! Iemand die ik kende begon in haar demente nadagen opeens allerlei details uit haar seksuele leven op te dissen aan haar kleinkinderen. Informatie over handboeien en jarretels die echt niet welkom was. Het is dat soort informatie dat we gedachteloos uitleveren aan de anonieme meute op internet. En erger: aan de bloeddorstige marketeers. I agree!
Maar ook onschuldiger interesses, ja zelfs mijn zucht naar wandelsokken is iets waarvan ik schrik als ik die vertaald zie in advertenties. In mijn tas zitten, verborgen, een ijzeren vuurslag, tondel, aanmaakhoutjes, een zakmes, een minilampje, een zonneceloplader, tape en een aluminium dekentje. Samen met de vishaakjes en het vliegertouw die ik zo meteen op internet ga bestellen, duiden die spulletjes die ik langs paden van bitumen meesjouw in lijn 2 (wat mijn ov-chipkaart bijhoudt) naar een taalcongres (waarvoor ik me aanmeld op internet) - toch op een ernstige psychische afwijking. Wil ik niet dat u dat weet? Te laat. Zelfs al had ik het hier niet opgesomd, dan stond het allemaal al ergens op bedrijfsservers. Of, nog erger, in een voor mij al helemaal ongrijpbare wolk (waarvan de krant vandaag zegt dat die niet bestaat uit fysieke servers. Wat ik dan toch weer niet geloof. Zó magisch kan de virtuele wereld nou ook niet zijn.)

Hoe dan ook, ik ben niet zo lijp dat ik mijn voorkeuren ook nog eens allemaal vrijwillig voor Facebook op een rij ga zetten, lekker handzaam bij elkaar, klaar voor de verkoop. Waarom zou ik? Ik wíl niet eens vrienden die niet kan schelen dat ze gebruikt worden. Losers! En iedereen die ik uit het oog ben verloren, zal daar wel aanleiding toe hebben gegeven. Toedeloe!
Ik weet tenminste van al mijn vrienden hoe ze ruiken. Nou zit ik alleen nog met die dochter...

Lydia Rood