Blog

14/05/17

Resetten

Lees meer

Het zal jullie niet ontgaan zijn: er is een aardverschuiving bezig in het onderwijs. Het kernwoord daarin is niet ‘iPad’- zoals sommige Apple-junks menen. Het kernwoord is ‘vraaggestuurd’. Het modernste onderwijs gaat uit van wat kinderen willen. Fijn voor die ouders van hoogbegaafde, hoogsensitieve kinderen voor wie nee zeggen gelijk staat aan kindermishandeling - maar tóch is het een fijne ontwikkeling.

 

Een kind wil van nature leren, en dat doet hij door volwassenen te imiteren. Jonge beertjes stoeien, jonge aapjes neuken droog, jonge mensjes roeren op hun tabletjes.

Moderne leerprogramma’s gaan uit van de natuurlijke nieuwsgierigheid van ieder kind apart. Interactie, met de leerkracht, met de lesstof zelf én met de wijde wereld is de basis. Waarom denk je dat gamen zo populair is? Omdat het kind zelf aan de knoppen zit, iets wat in de klas tot voor kort niet te halen viel.

 

Gek genoeg is de wereld van de lettertjesverkopers er nog niet aan toe het denkraam te resetten. Wij vinden het al heel modern van onszelf dat we erkennen dat e-books óók boeken zijn. Heel voorzichtigjes worden nieuwe mogelijkheden verkend.


Plaatjes die je aan kunt klikken, wauw!
Linkjes naar Wikipedia, echt waar?!
Aanklikbare geluidsfragmenten, zóóó hé!
Luisterboeken? Als het moet...

 

Voor ons gedurfde stappen, maar mensen die weten wat er technisch allemaal al mogelijk is, lachen erom. Het bedrijfsleven betrekt zijn klanten allang in verhalen die zich in de echte wereld afspelen. (En ja, jongens, de echte wereld bestaat voor een groot deel uit pixels.)
Dat zijn verhalen waar je aan mee kunt doen, ze zijn net zo immersief als romans. Je kunt je erin onderdompelen, je valt samen met de hoofdpersoon. Sterker nog: je bént het zelf.

 

Ik ken kinderen die liever Tolkien lézen dan de films zien. Als je vraagt waarom, zeggen ze allemaal hetzelfde: je verbeelding maakt het veel en veel spannender dan een film ooit kan doen. Films en games en zelfs virtuele realiteit blijven ogenspel; andere zintuigen doen niet mee. Alleen als je leest voel je de honger, ruik je het bloed, verstijf je van kou, huil je van verlatenheid.
Dat is overigens nog maar een kwestie van tijd - dankzij mijn autistische broer zit ik vaak te schudden in een bioscoopstoel, besproeid met koude druppeltjes bij wijze van wind, regen of spinnenwebben. Die ontwikkeling gaat snel. Het duurt echt nog maar even voor je in de bioscoop ook bloed ruikt en je maag voelt rommelen.
                                    
Waarom willen wij toch per se dat kinderen blijven lezen? Kun je ze kwalijk nemen dat ze Minecraft spannender vinden, als ze hun ouders óók alleen maar op hun tablet zien roeren?

 

Het gaat, zeggen wij dan deftig, allemaal om de taalontwikkeling. FIFA praat over het geheel genomen toch vooral in éénwoordzinnen. ‘Pass!’ ‘Goal!’ ‘Incredible!’
Maar kan taal nou werkelijk alleen overgebracht worden met behulp van lettertjes? Nee toch zeker?
Het vermogen tot lezen is evolutionair gezien volkomen verwaarloosbaar. Op twee miljoen jaar ontwikkeling zijn de vijf eeuwen sinds Gutenberg echt peanuts. Ons breinnetwerk is helemaal nog niet aangepast aan lezen en schrijven. Zoek op: dyslexie. Dat bestaat over vijftig jaar niet meer; ook winst!

 

Om die transitie naar nieuwe vormen van vertellen probleemloos te laten verlopen moeten wij samen als de sodepatat een strategie uitstippelen om verhalen in een andere vorm te gieten. Een talige vorm, zeker  - we willen toch meer dan alleen maar ‘Oe, oe, oe!’ naar elkaar kunnen roepen.


Uitgevers zullen de handen ineen moeten slaan met de game-industrie, de filmwereld en de storytelling-branch.
Wij schrijvers zullen moeten leren samenwerken met bijvoorbeeld gamebedenkers. We zullen moeten afkijken bij het onderwijs en spel als instrument moeten omarmen.
De game-industrie zou moeten beseffen dat een goed verhaal een zinvolle afloop kent, dat een hoofdpersoon een ontwikkeling door moet maken, en dat een boodschap verder mag gaan dan: de slechten zijn kassiewijne en de wereldcup is van ons.
En weet je wat: dan kun je niet zonder taal.

 

En zo niet?
Dan gaan alle uitgevers failliet en wordt het op den duur weer ‘Oe, oe, oe!’

 

(Dit was het praatje dat ik hield op de zeepkist, Middag van het Kinderboek, 13 mei  2017)


14/04/17

Matjestrappers

Lees meer

Hoeveel boeken zou Donald Trump in zijn leven hebben gelezen? En misschien belangrijker: hoeveel boeken zouden de mensen die op hem hebben gestemd nou gemiddeld verwerken per jaar? Vier? Waarvan twee tuinboeken en een zelfhulpboek?

Ik vraag dat omdat me een vreemde coïncidentie is opgevallen. Vanwege de campagne Nederland Leest, die in 2016 ook voor kinderen het thema democratie had, doe ik in bibliotheken een debatspel met kinderen. Daarbij geven matjes op de vloer de stand aan in ‘de peiling’. Die matjes leg ik klaar voordat de kinderen binnenkomen, en ik let op of ze erop trappen, ze aan de kant schoppen, of er overheen stappen. De kinderen die respect tonen voor de matjes blijken gaande het spel de beste debaters. En als ik dan vraag wie er wel eens een boek leest - ja hoor, dan zijn het ook die over-de-matjes-stappers die het meeste lezen.

Beide kunnen het gevolg zijn van een goede opvoeding, of anders leidt lezen tot respect - dat laatste zou wel erg mooi zijn. Maar het verband is er. En ik schat de komende man in het Witte Huis niet in als iemand met overmatige eerbied voor (de spullen van) andere mensen. Ruzie zoeken met China, vrouwen beoordelen op hun graaibaarheid... Trump is een op-de-matjestrapper. En hij wint. De tweedeling is niet meer die tussen welgestelden en armen. De scheidslijn ligt nu tussen degenen met kennis, het juiste accent, een achtergrond in de beste buurten en op de beste scholen, met de juiste vriend op de juiste plek - kortom: de elite enerzijds, en anderzijds de kansarmen die achterblijven op de vuilnisauto, met een levenslange blessure of een troostuitkering. De ‘elite’ staat met lege handen, want je hebt niks aan een netwerk als je de macht ontbeert. En wat die elite terugpiept komt niet aan bij het ‘volk’, dat simpelweg de woorden mist.

Een Europeaan die zich in de VS buiten de Oostkust en California waagt, vallen twee dingen op: de overrompelende vriendelijkheid en de ontstellende onwetendheid van de inwoners. Geen wonder, want hun wereldbeeld wordt samengesteld uit plaatselijke sportnieuwtjes en misdaadberichten. Ik hoorde op een plattelandshighschool een Oostduitse gastleerling met droge ogen vertellen over haar dagelijks leven: ze moest ‘s ochtends nog voor het plassen de deur uit om een wild varken te schieten als ontbijt. De Amerikaantjes hoorden dat ernstig aan; het kwam geen moment bij hen op dat het misschien een grapje was. Dankzij het algemeen stemrecht wordt de wereld straks bestierd door mensen die denken dat Denemarken de hoofdstad van Amsterdam is.

Ik ben voor algemeen stemrecht, hoor. Maar daar hoort wel de opvoeding tot burgerschap bij. Ik denk dat, om op mijn eigen vakgebied te blijven, niet alleen de CPNB en de bibliotheken, maar ook uitgevers daar een taak hebben. Helaas zijn die zich gaan gedragen als ordinaire boekverkopers. Hoe olijker de muis en hoe joliger de juf, hoe hoger de verkoopcijfers. Straatrumoer mag nog, zolang het om de hoek is, een dronken moeder, een harteloze loverboy. Die óf zijn vet krijgt, of met tranen in zijn ogen beterschap belooft, waarna de hoofdpersoon ongeblutst het lieve leventje voortzet.

Het wil nog een enkele keer voorkomen dat een verhaal in een oorlog of een bar buitenland speelt. Maar we zouden elkaar iets wijsmaken als we volhielden dat in de eigentijdse jeugdliteratuur geroofde kindhoertjes of Afrikaanse drenkelingen het winnen van olijke muizen en jolige juffen. Oorlog, dat is het veilige domein van Vriens en Terlouw, waar alles goed komt als je maar lief bent voor je vrienden. Honger is een oplichterstruc. Verraad, dat is als je klasgenoot doorvertelt op wie je bent. Gevaar, dat is met je skateboard van een leuning afroetsjen. Ongerief, dat is met een game op moeten houden omdat het eten klaar is.
Door de deur naar buiten dicht te houden, houden we onze kinderen dom. Dat is lekker kneden, hoor, voor een handige populist.

Uitgevers kunnen hun verantwoordelijkheid nemen, of niet. Wordt het een fonds waarin Marijn bij de lorredraaiers en David ontdekt de wereld zouden passen? Of verdien je liever een Frans kasteeltje bij elkaar voor de baas?
Best. Maar dan achteraf niet zeuren over die dictator.


14/04/17

Broedplaats

Lees meer

Boven in het gebouw doen honderd kinderen een spel naar aanleiding van een boek dat ze állemaal gratis van de bibliotheek hebben gekregen. Op de afdeling daarnaast staan de kinderboeken lekker door elkaar, en niet met hun ruggetjes naar je toe, maar uitnodigend met hun gezichtjes naar voren. Een paar verdiepingen lager is een koffieconcert aan de gang. Dementerende ouderen babbelen er in dezelfde ruimte gezellig doorheen, koffiekopjes rinkelen. Aan de muren hangt lokale kunst, het bestuur van de historische vereniging vergadert, er zijn streekproducten te koop, en de man van de onbespoten dame zit, terwijl zij bloementhee uitzoekt, lekker even te lezen.
De bibliotheek van nu. Ik was toevallig in die van Veenendaal en daar heet hij Cultuurfabriek, omdat er vroeger wol werd gefabriceerd. De caesarsalade is er uitstekend - en door het bibliotheekpersoneel zélf gemaakt.

Als kind was ik altijd een beetje huiverig voor de bibliotheek. Het was er zo stil, en ik had het gevoel dat ik in een schatkamer dwaalde met alle deksels dicht. Ik zag grote mensen doelgericht op kasten afstappen, maar ik snapte nooit hoe ze konden weten wat ze moesten kiezen. Ik durfde geen boek uit de rij te pakken om even te bekijken, want ik was bang dat ik het dan móést lenen. Later, toen ik door had waar het alfabet voor diende, kreeg ik last van catalogusangst. Ik voelde de ogen van de bibliothecaresse in mijn rug prikken als ik zenuwachtig op zoek was naar... o help, wat zocht ik ook weer? Doordat ik de volgende keer wéér bang was om te gaan, liepen de boetes altijd op - en ik had niet eens zakgeld.

Dat het met mijn leesopvoeding toch nog goed gekomen is, dank ik aan mijn vader, die zijn geld liever uitgaf aan boeken dan aan onnutte zaken als broeken, fietsen of gehakt. We liepen erbij als ontsnapte gekken, mager als latten en met blote enkels, maar mijn hoofd was rijkgevuld, en zo’n vader wil ik in mijn volgende leven weer. Mijn dochter was altijd lid van de bieb, maar ze hoefde nooit te gaan, want onze kasten zou ze van haar levensdagen niet uit kunnen lezen - al heeft ze een dappere poging gedaan.

Terwijl ik dus niet oplette, veranderde de bibliotheek van een heiligdom waar je stiller deed dan in de kerk langzaam in een dorpsplein - en de pomp is niet dat cappuccinokabaalapparaat maar de uitleenbalie. De bibliotheek-plus is de kern geworden van grote dorpen en levendige steden, het is een hangplek voor ouderen en jongeren en zwerfmoeders, het is een toevlucht voor eenzamen, voor de mannen van onbespoten vrouwen, voor de vrouwen van autistische mannen, een plek waar hoofddoekmeisjes zichzelf kunnen zijn. Het is een bijenkorf waar je nooit alleen bent maar waar je tegelijk uit de wereld kunt stappen, je eigen schuilplaats in, je eigen avonturen tegemoet.

En nu moet de bibliotheek dus ook een broedplaats voor de democratie worden - het thema van Nederland Leest deze maand. Ik schrijf dit in de week dat Donald Trump door niet eens alléén boze witte mannen in het zadel is geholpen en de analytici over elkaar struikelen in hun haast uit te leggen dat het allemaal gaat over gehoord worden. Op televisie zegt een gewone mevrouw dat met haar geen rekening wordt gehouden, dat alle verkiezingsbeloften worden gebroken; ze stemt op Wilders. En omdat die binnen 24 uur zijn eerste verkiezingsbelofte brak, kunnen de politici die met haar zijn komen praten hun lachen niet houden - maar hé: wat ontbeert deze mevrouw nu eigenlijk? We hebben het hier allemaal behoorlijk goed, ook de armen. Wat zij heeft gemist, is een opvoeding tot mondig burger, ze mocht wel meepraten, maar ze kón het niet. Ze was misschien dyslectisch of te ongedurig of aan de domme kant - maar meepraten kan iedereen leren. Als we maar ons best doen om te luisteren, als het maar niet op één manier hoeft, als ieders vaardigheden even hoog worden aangeslagen.

Beneden in de Cultuurfabriek is de goed opgeleide bibliothecaresse blij met de man die het kabaalapparaat komt repareren. En boven profiteert het stille kind dat snapt hoe democratie werkt, van de durfal die de roeptoeter aan zijn mond durft te zetten. De broedplaats waar we dit van elkaar kunnen leren, is de bibliotheek van nu, en ik ben er hartstikke trots op!


07/04/17

Verdienmodel

Lees meer

Oudere schrijvers - ik ook, tot mijn schaamte - kunnen verschrikkelijk mekkeren dat er van hun vak meer niet te leven valt. Jarenlang heb ik uitgevers, journalisten, bibliothecarissen, leraren, vrienden, willekeurige receptiegangers en collectanten lastiggevallen met het gezeur over mijn armoedje. Dat was, achteraf, enórm onterecht en ik bied iedereen die ten prooi is gevallen aan mijn zieligdoenerij alsnog nederig mijn verontschuldigingen aan.

Ik had tenslotte gewoon een baan bij de post kunnen nemen, zoals iedere zichzelf respecterende kunstenaar. Of in het onderwijs kunnen onderduiken, journalist kunnen blijven, voor mijn part kralen kunnen gaan verkopen op internet - hoezo moet ik van mijn hobby kunnen leven? Je kunt er lang of kort over praten, maar waar geen vraag naar is, dat hoeft er niet te zijn. Als wij geen geld over hebben voor boeken, dan vinden we zeker andere dingen belangrijker. Hebbedingetjes met batterijen, of lippen uit een catalógus. Kan het schelen?

Eh... ja, misschien toch wel. Ten eerste willen we niet terug naar het stenen tijdperk met z’n allen en ten tweede zijn er nog zo’n driehonderd mensen over die graag een goed boek lezen. Voor hen blijf ik dus proberen ooit dat ultieme prachtboek uit mezelf te halen. Maar daar zou verder niemand last van moeten hebben.

Een paar van de jeremiades waar wij u mee lastigvallen:

‘Niemand koopt meer boeken. Crisis!’
Vraag maar aan het CPNB of dat klopt. Er worden ieder jaar weer meer boeken verkocht - al zijn het dan misschien geen romans. Een slimme schrijver schakelt over op tuin-, vogeltjes- of kookboeken. U gelooft het misschien niet, maar Hans Dorrestijn schreef vroeger verhalen. En ook Abdelkader Benali, u kent hem wel van zijn kokkerellerij, is tijdig omgeswitcht, mede dankzij een handige partnerkeuze.

‘Doordat iedereen e-books downloadt, kan ik mijn papieren meesterwerken aan de straatstenen niet kwijt.’
Alsof de dieven die illegaal boeken op hun ding zetten ook maar één cent zouden besteden aan een papieren uitgave. Dat zijn helemaal geen lezers, dat zijn leeghoofden die willen stoefen over de drieduizend boeken in hun handtas. Laat ze toch lekker! Daar eten wij echt geen boterham minder om.

‘Bibliotheken worden gesloten en voor uitleningen in de schoolbibliotheek hoeft niet betaald te worden. De leenvergoeding holt achteruit.’
Dat klopt op zich. Ik heb de afgelopen zeven jaar ieder jaar weer duizend euro minder leengeld gekregen dan het jaar ervoor. Maar hé: zouden Paul van Loon en Maren Stoffels nou ook aan de bedelstaf zijn? Of zijn die gewoon nog stééds in goede doen? Wie de keuze maakt Hogere Kunst te vervaardigen in plaats van poepies voor het soepie te doen, kiest dus niet voor het grote geld; elk voordeel heb... De Nederlandse crickettop harkt toch ook minder binnen dan Messi?

‘We winnen het niet van Geronimo Stilton.’
Nee? Ach... Maar wie zijn neus ophaalt voor commercie, kan altijd nog terecht bij het Fonds voor de Letteren. Griffelschrijvers leven vaker wel dan niet van overheidssteun, een soort aanvullende bijstand. Sinds ik dat weet, durf ik ook af en toe mijn hand op te houden. Mooie reality check: zo weet je meteen of je wel zo goed bent als je denkt.

‘Die ontlezing, hè...’
Ja, nou, weet u wat: ontlezing is een duidelijk geval van elk voordeel heb. Zolang bazen nog vragen om sollicitatiebrieven en bestuurders om in letters gegoten rapporten, blijft er behoefte aan geletterden. Voor zolang als het duurt moet het onderwijs dus mensen blijven afleveren die kunnen lezen en schrijven. Daar ligt de kans voor de oudere schrijver, die stakker zonder nering ofte pensioen. We kunnen namelijk na al die jaren rondtoeren ontzettend goed leesbevorderen. En daar ís me toch een vraag naar tegenwoordig!

Leven van de pen lukt me in dit tijdsgewricht niet meer, dus moet ik wel gaan leven van mijn grote mond. En anders meld ik me bij PostNL.


07/04/17

Oude vrienden

Lees meer

Omdat ster-kinderboekhandelaren Carole en Bart de Mooij met pensioen gaan, grasduin ik op de site Lezenisleuk. Wie zijn ze, de nieuwe (en oude) mensen achter de toonbank? Dat zie je in één oogopslag aan de titels in hun top drie. Ik herken er dierbaren: Meester van de Zwarte Molen, Ronja de Roversdochter, Het boek van Bod Pa, Ogen van tijgers. En nieuwe vrienden: Soldaten huilen niet en Mister Orange. Goed volk, daar bij Lezenisleuk.

Vroeger ging je bij een nieuwe kennis onmiddellijk voor de boekenkast staan om te weten bij wie je was beland. Volgden ze in dit huis de hitlijsten? Durfden ze iets buitenissigs aan? Hadden ze hun kinderboeken bewaard? Stond De negerhut van oom Tom nog in het zicht? Hadden ze Schoolidyllen weggedaan?

Een voorbije praktijk. Boeken zijn niet meer voor de heb, die doe je weg, vooral de boeken ‘die ik toch nooit meer ga lezen’ - alsof een boek de tweede keer nog hetzelfde is! Die cultuursnackers zijn ook cultuurpoepers geworden. Veel boeken hálen hun boekenkast niet eens. Die gaan meteen naar Boekwinkeltjes.nl of soms zelfs bij het oud papier, prentenboeken gaan rücksichtslos door naar nieuwe neefjes. Zo groeien generaties op zonder tastbaar leesverleden.

Michaël Zeeman, die geen huis kon vinden waar hij zijn honderdduizend banden in onder kon brengen, was toen al een zonderling; nu zouden ze hem opbergen. Want waarom zou je boeken moeten hébben? Van papier? Zijn ze niet met één klik binnen te halen, waar je ook bent en zelfs in je pyjama? En zo licht als ze zijn op vakantie! De jonkies die geen eigen auto en geen eigen vakantiehuis willen omdat het veel leuker is om nu eens dit en dan eens dat, en ook veel goedkoper, die hoeven nooit een boekenkast erbij te kopen. Gelezen exemplaren worden zwerfboeken via een geinig kastje van sloophout tegen een gevel. Een ballastloos leven.

Maar mijn boeken zijn mijn vrienden. Ze hebben mijn hele leven meegemaakt, ze waren erbij, ze weten het nog, en ze veranderen met me mee. Ik hoorde Cees Nooteboom eens zeggen: ‘Thuis is waar mijn boeken zijn’, en toen dacht ik: nee, man, thuis is waar mijn boeken zijn. Tijdens het regime van afwezige ouders, harteloze broers, trouweloze vriendjes, hardvochtige vriendinnen, tirannieke mannen, afvallige kinderen en in maanden dat ik helemaal niemand had, sleepten zij me door het leven.

Dankzij Het kleine huis op de prairie heb ik een verschrikkelijke zomer doorstaan - griep die niet meer ophield, een kat die stierf, de vriendin die me verraadde. Alleen Anne Frank begreep me als ik naar mijn kamer was gestuurd, Droomkoninkje maakte een hersenvliesontsteking tot een topervaring, Old Shatterhand troostte me in mijn brugklasbestaan en Tonke Dragt hielp me toen ik midden in een verliefdheid van school werd geplukt. Corso het ezeltje verdreef de eenzaamheid toen ik veel te veel broertjes kreeg en Dik Trom hielp me aan mijn eigen versie van een gouden hart. Soms, als het leven even geen zin meer heeft, hoef ik maar naar een van mijn boekenkasten te kijken om te weten dat ik nooit helemaal alleen ben geweest. Trouwens, Alet Schouten is zelfs postuum nog mijn beste vriendin.

Sneu? Nou, van tijd tot tijd zet ik een beduimeld omslag op mijn Instagram-account. Meteen regent het hartjes. En ik merk dat de instemmers heimwee hebben naar zo’n aanraakbaar boek, dat nog ruikt naar het gemaaide gras en de vermicellisoep van hun jeugd. Mijn moeder, die niet meer weet wat je moet doen als de telefoon gaat, woont tussen wanden vol leesverleden. Tegenwoordig leest ze alleen nog maar mijn boeken - de hele rij van meer dan honderd titels, en dan weer opnieuw. Langzamerhand hangen de flarden erbij, en zo kan ik zien en voelen dat de trouwste van háár dierbaren uit mijn hart komen, en is alles achteraf alsnog oké.


18/02/17

Niet voor ouders

Lees meer

Uit het wondere leven van een Schoolschrijver:

 

Adnan  heeft Slaaf kindje slaaf gelezen, en nu is hij even de hoofdpersoon. Domingo bedenkt dat we haar Nanda kunnen noemen: zelfde letters.
‘Hoe oud ben je, Nanda?’ vraag ik.
‘Twaalf.’
‘Heb je al borstjes?’ vraag ik, want daar maakt Dolf Verroen een punt van.
De kinderen gieren, maar Nanda schudt gewoon van nee. Nanda heeft een slaaf gekregen voor haar verjaardag. Ze is blij met hem, vertelt ze, want hij kan dingen dragen en goed koken. Ze is ook blij met haar zweep.
‘Waarom?’
‘Dan kan ik hem harder slaan als hij iets fout doet.’

 

Adnans haar is zwart, zijn huid is donkerbruin, en hij heeft naar alle waarschijnlijkheid een tollie. Voor mij is het een verrassing dat hij zich liever als meisje laat interviewen dan als cadeautje. Maar mijn denken wordt gestuurd door zijn uiterlijk. Een fout die witte mensen wel vaker maken.

 

Kyara en Sharon willen het boek niet lezen. Zo racistisch! Maar Domingo zegt: ‘De schrijver is tégen slavernij, daarom schrijft hij het zo.’ En Dantrell vult aan: ‘Zo kun je weten hoe het vroeger is geweest.’
Ik wil weten waarom Nanda denkt dat haar slaaf niet wil lachen. Ze heeft geen idee. Anderen wel: ‘Omdat het een soort robot is.’ ‘Omdat hij als een ding wordt gebruikt.’

We hebben het eigenlijk over een stuk of drie, vier, boeken. Nee, vijf, want ik las het nog weer anders.

 

Levis heet vandaag Ali. ‘We gaan zwemmen, en ik scheld andere jongens uit voor homo.’ In de ik-vorm doet hij verslag van alle gebeurtenissen in Blijf van me af! - nou ja, bijna alle.
‘Wat deden jullie eigenlijk in de schapenschuur?’ vraag ik. Levis valt even uit zijn rol: ‘De vieze stukjes heb ik overgeslagen.’ Als ik vraag wie van de vier vrienden écht een homo is, valt hij stil.
In het verhaal dat ík ken is het Ali zelf die wordt uitgescholden voor zemel en boeler, en die ook inderdaad op jongens valt. Levis’ boek gaat anders. Want de hoofdpersoon in zijn eigen leven is hij zelf, en hij valt op meisjes. Nou ja, nu nog even niet.

 

Mike (of  Byran) vertelt van alles over zichzelf dat nergens staat geschreven. Net als in De groeten van Mike wil hij niet naar een pleeggezin, en hij legt het uit: omdat zijn moeder zijn moeder is, en gewoon daarom de liefste. Ook al vindt hij het niet zo fijn dat hij soms flessen moet verstoppen, en ook al is ze soms helemaal dronken (‘starnakelzat’, gooi ik er tegenaan), Jeugdzorg is zijn vijand.
Wie kent er iemand die verslaafd is? Bijna alle kinderen wel. Drank, gamen, eten, zowat alles komt voorbij, inclusief een aan televisie verslaafde oma.

 

Aan het eind van de dag besef ik dat we het op één ochtend - taf, taf, taf, taf! - hebben gehad over slavernij, homoseksualiteit, verslaving, uithuisplaatsing, gewoon in groep 5 en 6. Heb ik niks voor hoeven doen; de boeken hadden ze zelf uitgekozen.
Maar ik ben wel blij dat niet álle ouders over de schouders van hun kinderen meekijken.   


20/01/17

Juffen en onjuffen

Lees meer

Iedere jeugdboekenschrijver praat erover, met afschuw in de stem: de onjuf. Je weet het meteen, want zo’n leerkracht struikelt over je naam - ‘Dit is Lilian Rood en ze heeft al best veel kinderboeken geschreven.’ En gaat vervolgens achter in de klas zitten nakijken, terwijl jij krampachtig probeert te bewijzen dat lezen wél leuk is. De onjuf kijkt op noch om, behalve wanneer het zó rumoerig wordt dat ze opschrikt. Dan roept ze, dwars door het voorlezen heen, en net zo makkelijk seconden voor de pointe, met nietsontziende stem de onruststoker tot de orde: ‘Hier word ik écht niet vrolijk van, Romaira. Je hebt toch wel maníéren geleerd?’ Om vervolgens met een nonchalante blik op de schrijver weer in haar stapel schriften te duiken. Ja, ze bestaan.

En ze bestaan in varianten. Laatst had ik echt een superonjuf. Juf Monique wapperde vaag in mijn richting. ‘Deze eh, mevrouw gaat jullie van alles vertellen over haar eh, boek, en verder wacht ik ook af wat er gebeurt, maar ik verwacht wel dat jullie héél goed opletten.’ En ging daarna op een strategische plek zitten, waar niemand op haar schermpje kon kijken, en begon fervent te appen. Geen stagiaire van negentien, nee, ze had zelf vast al puberkinderen.
Ik was dus meteen al zó van mijn apropos dat niet de hele klas overtuigd raakte dat het interessant kon zijn om mee te doen - en als ook de juf het niet de moeite waard vindt, wat zou je dan? Toen ik na afloop vroeg of iemand nog wat wilde zeggen, keek juf Monique op. Jazéker had ze wat op te merken! Ik had de kinderen in een kring moeten zetten, dan hadden ze vast beter opgelet.
‘Maar u zat zelf te appen, juf’, kon ik niet nalaten te zeggen.
‘O, maar dat wil helemáál niet zeggen dat ik niet weet wat er gebeurt!’ zei ze op een toon alsof ze me klem had.
‘En er was een presentatie op het bord’, waagde ik nog. Daar moest ze tien seconden over nadenken.
‘Hoefijzervorm!’ riep ze toen. ‘Dat zijn van die didactische weetjes, hè’, voegde ze er triomfantelijk aan toe.
Ze groette niet, toen ik wegging.

Misschien lag het aan de school, want de volgende juf was nog erger. We waren wat te laat begonnen en ik had een vol programma. De juf liet af en toe haar nakijkwerk in de steek en verdween. De klas uit. Misschien blaasontsteking, dacht ik. Maar op zeker moment bleek ze in de gang te zitten, terwijl ze door de glazen deur naar binnen loerde. De kinderen hadden er geen erg in, die zaten helemaal in een van mijn spelverhalen.
Om kwart voor twaalf zat ze weer op haar plek en vroeg ze - midden in een uitleg van mij - of het nog lang ging duren. Het spel naderde zijn ontknoping, maar er zat een educatief staartje aan dat ik ook nog wilde afwikkelen.
‘Nee!’ riep juf Claartje. ‘Dat trekken deze kids niet!’
Ik keek naar de klas en zag dat de kinderen enthousiast bezig bleven met hun opdracht. Ze mochten erbij lopen en praten en niemand had kriebelbillen. De school had een continurooster en niemand hoefde dus naar huis. Eh?
‘Er zijn kinderen bij die absolúút naar buiten moeten!’ hield juf Claartje vol. Ik moest dus klokslag twaalf stoppen, net toen het spannend werd. Juf Claartje slaagde er vervolgens in om ook nog de deur van de koffiekamer voor mijn neus dicht te doen. Ik blijf dan op de gang staan. Graag of niet.
Later hoorde ik dat ze net gestopt was met roken. Misschien was dat het.

Gelukkig is de onjuf - je hebt ze ook in het man - een uitzondering. De meeste juffen vinden dat hun klas boft dat je komt en hebben minstens één boek van je voorgelezen. De leukste slepen een tasje oudjes mee die je moet signeren voor hun dochter, en hun klas hangt vol gloednieuwe omslagen voor je boeken. Ze kennen stapels leuke voorleesverhalen, ruimen tijd in voor iedere schrijfwedstrijd en belonen een kind dat zijn taak af heeft met leestijd. Dat zijn de juffen die snappen waaróm je kinderen aan het lezen wil krijgen, de juffen die daar veel voor over hebben - zelfs hun eigen vrije tijd. Zulke juffen zijn Janny, Marit en Sherida, te zien op deze foto. Juffen die kinderlevens redden, juffen die je je eigen kind gunt. O, wat hou ik van die juffen!
 


20/01/17

In memoriam Stinkdier en Wasbeer

Lees meer

Omaproof schrijven - je moet het kunnen. Voor je het weet heb je een personage ‘doodeng’ laten zeggen (en dood is voor oma’s het ultieme eng). Of je laat twee kleuters giechelend tussen elkaars benen kijken. Of je zet een gekke vaas op de vensterbank waar wolkjes as uit omhoog dwarrelen als je hem open peutert.

‘Oma ruikt echt naar as.’ Zo begint Griezelen met Lucebert, dat gedoemd is mijn mooiste boek te zijn. Een prentenboek met griezelige platen. Die zijn geschilderd door Lucebert, en helemaal niet bedoeld voor kinderen. Waarschijnlijk zijn ze helemaal voor niemand bedoeld, behalve voor de schilder zelf - zoals alle echte kunst. Het verhaal zelf is ook akelig: een jongen zoekt zijn verdwenen broer in een rariteitenkabinet, wetend dat hij zelf alleen bestaat, ja speciaal geconcipieerd is, als troostkind voor zijn krankjoreme vader en zijn armloze moeder.

Het is een wonder dat dat verhaal is verschenen, en bij een gewone uitgeverij was dat ook nooit gelukt. Die weten wat verkoopt: Welterusten... Kleine Beer en Raad eens hoeveel ik van je hou of Mama kwijt. Prachtig, en je krijgt ze niet voorgelezen zonder een brok in je keel.
Boeken waar oma’s en andere moeders wel pap van lusten gaan over kindjes die niets liever doen dan bij mama blijven, en dat is precies waarom wij erom moeten huilen, want echte kindjes zijn zo vervelend anders. Die gaan steeds stapjes verder, zelfs als ze al eens uit de sloot of de vuilcontainer zijn gevist, totdat ze tenslotte bruut worden bepoteld door een vrachtwagenchauffeur. En als ze dan eindelijk thuis willen komen uithuilen, zijn wij net op een cruise - had dan even geappt!

Bij Lucebert zijn álle volwassenen eng, en daar heb ik me aan gehouden. Het boek kwam uit bij BnM Uitgevers, een geheime hobby van Ton den Boon, waar de wonderlijkste boeken verschijnen - en die hoeven niet per se omaproof te zijn. Ik had nog speciaal een paar hele erge woorden erin gegooid, om als wisselgeld te gebruiken als de beul met het rode potlood kwam - tongpiercing, kannibaal, slachtafval, regenjas. En natuurlijk dood (als in dood). Maar niks: het enige dat ze gewijzigd hebben was geloof ik een extra e achter ‘gezelli’. Maar Ton den Boon, van Van Dale, is dan ook een heel bijzonder mens, iemand die weet wat woorden wegen: zwaarder dan geld.
Ik las eens uit dat boek voor in groep 7 en vroeg wat ze ervan begrepen. ‘Dat je grote mensen niet kunt vertrouwen’, zei Berry zonder nadenken, en hij voelde aan zijn jukbeen, waar een oude deuk in zat. En daarna kwam er een verhaal over bier halen voor zijn stiefvader, en naast zijn stoel blijven staan tot het op was. Kijk, daar doe je het voor.

Maar zo gaat het niet altijd. Gaan we nou? zou een prentenboek hebben moeten zijn over Honingneus, die graag naar de kermis wil. Maar zijn ouders, Stinkdier en Wasbeer, hebben andere dingen aan hun kop. Bladzij na bladzij krijgt Honingneus nul op het rekest. Er waren prachtige platen bij van Alice Hoogstad. Maar een uitgever konden we er niet voor vinden. De ene vond de illustraties te groot, de ander het verhaal te sneu, en de derde dacht dat het niet zou passen op de plank van de boekhandel. Smoesjes! Het kwam gewoon niet door de oma-ballotage.

‘Hou je niet meer van Wasbeer?’ vraagt Honingneus.
‘O jawel, Honingneus. O jawel. Maar Wasbeer houdt niet meer van mij.’
‘Gaan we dan niet naar de kermis?’ vraagt Honingneus. ‘Het is nog maar één dag.’
‘Niet zonder Wasbeer’, zegt Stinkdier.

Het was misschien mijn allermooiste boek geworden, maar oma wint. Want Berry’s stiefvader geeft zijn geld niet uit aan kinderboeken. Pech, Berry: boeken gaan niet over jou.


06/01/17

Ten onder

Lees meer

Verpesten de digitale media het dieplezen bij kinderen? Het aprilnummer van Leesmonitor vat de stand van het onderzoek samen. Dieplezen is helemaal kopje-onder gaan in een andere wereld, compleet met beelden en geuren en geluiden en gevoelens als honger en hoofdpijn - het gebeurt als je meegesleept wordt door een verhaal. Je verbeelding aan de macht en je taalpapillen open. Moeten we hebben dus. Maar lukt dat nog wel tegenwoordig?

De voorzichtige conclusie van Leesmonitor luidt: digitaal lezen is anders, maar niet per se slechter voor de taalvaardigheid van kinderen. Elk nadeel heb z’n voordeel en het is maar net hoe je ermee omgaat. Yes!

En passant lees ik leuke dingetjes, bijvoorbeeld: een digitale voorleesstem is voor kinderen bijna net zo goed als een voorlezende volwassene. Vragen op het scherm sorteren hetzelfde effect als vragen van mama. Maar: een volwassene met een arm om hem heen geeft een kind natuurlijk wel meer kans om zélf vragen te stellen. ‘Schrokt een wolf je in één keer op of neemt hij hapjes uit je?’

Ook leuk: jongetjes houden van knoppen. Ze scrollen graag en lezen dan beter en langer dan ze doen met een papieren boek. Hoe interactiever, hoe beter, voor jongetjes. Meisjes hebben genoeg aan papier; zij hoeven niet met hun vingertjes te werken om hun hersens in beweging te houden.

En: schrijvers experimenteren al volop met nieuwe vormen, met prentenboekapps en games en meer.
Fijne Leesmonitor, moet iedereen spellen en uit zijn hoofd leren.

Maar ik mis er wél wat in. De conclusie die opzichtig tussen de regels glinstert, blijft achterwege. Het is er een die in de grotemensenwereld allengs breder wordt aanvaard, maar in letterenland paniekerig wordt genegeerd: dat lettertjes op hun retour zijn. Geschreven teksten sterven uit. Voorbeelden te over, en dan hoef je niet alleen naar jongens in achterstandswijken te kijken. Ik vind ze in mijn eigen leven: ik ga achter het stuur geen adresgegevens zitten intikken - ik zoek ze niet eens op - maar ik snauw tegen mijn navigatie: ‘Boekhandel Zwolle’, en dan loodst hij mij zonder mankeren naar mijn bestemming.
Of: mijn man heeft last van het licht als ik in bed nog wil lezen, ook als ik dat van een minischermpje doe. Dus lig ik stilletjes te luisteren naar een thriller die ik niet in mijn kast hoef.

Als Schoolschrijver heb ik met mijn Talentenklasje geen papieren verhaal gemaakt, maar een filmpje, met gesproken dialogen en zelfgeknipte plaatjes. Er was een voice-over met het verhaal, dat wel eerst was opgeschreven. Maar was dat laatste echt nodig? Een ander kind deed de hele dialoog namelijk uit zijn hoofd. Een lezer was dat jochie niet. Hoezo gaat er taalgevoel verloren als we niet lezen? En zou de taalverwerking werkelijk te lijden hebben als er geen papier tussen zit? Mijn talentjes vertélden elkaar eerst wat ze wilden opschrijven... En ik wed dat kinderen die het filmpje hebben bekeken, het net zo goed kunnen navertellen als een voorleesverhaal. Waarschijnlijk zelfs beter. Dyslexie wordt een vergeten stoornis; goed nieuws, toch?

We kunnen al veel langer luisteren dan lezen. Evolutionair gezien is dat hele lezen een nieuwigheidje dat gedoemd is te verdwijnen. Lettertjes zijn een nodeloze omweg, nu het verspreiden van het woord veel makkelijker kan. We schaffen lettertjes in het dagelijks leven langzaam af. Alleen in letterenland, waar het volkje er zijn brood mee verdient, wordt erom gejammerd. Maar waarom? Dat de lettertjes ten onder gaan, wil toch niet zeggen dat het over en uit is met de letteren? Vroeger kon iedere boerenknecht paardrijden, nu scheurt hij op zijn trekker - en toch wordt de akker nog steeds geploegd. Pas wanneer we dat snappen, ligt de nieuwe wereld echt open.

Zo, en dan wou ik nu graag verder werken aan mijn luisterboek.


06/01/17

Petje af, Paul

Lees meer

En ons leven’, ging [de fee] voort, ´is zingen en springen en dansen en jansen, de hele nacht door. (...) Altijd weer wiegen op het gras en slingeren aan de vogelwikke en je verstoppen in het vingerhoedskruid, diep naar binnen in de paarse of de witte, maar in de witte zat een hommel. Op een keer.´

Mooi? Prachtig.
Niemand die dit net gelezen heeft zal iets anders vinden, en niemand van ons zal de auteur zijn recht op de Gouden Griffel voor dit Nachtverhaal betwisten. Maar het stond vlekkeloos in veelvoud op de planken van de bibliotheken. Het was, hoe mooi ook, een on-boek, want een boek dat niet gelezen wordt bestaat niet. Kinderen moesten het niet. Het ging over oude mensen en andere dingen die voorbijgaan, en dat is vreselijk onherkenbaar voor een kind, maar daar zat het hem niet in. Ze kwamen er domweg niet doorheen.

Voorzichtig legde hij zijn oor tegen de deur. Hij hoorde ritselende en schuifelende geluiden. Zachtjes klopte hij op de deur.

Duidelijk? Zeer. Maar roep je spontaan uit: ‘Prachtig! Meer, meer’?
Mwah. Neuh. Lama.
Kinderen vreten het.

Het eerste stukje had u vast wel herkend als van Paul Biegel. Het tweede stukje kan uit willekeurig welk boek komen; dit komt toevallig uit Dolfje Weerwolfje (het oerboek uit 1996). Twintig jaar is Dolfje al een niet-te-verslaan succes, en niet alleen omdat een jongetje dat af en toe in een monster verandert zoveel herkenbaarder is dan een oude kabouter. Het is de táál van Paul van Loon die het publiek verovert.

Eigenlijk zit het hem, leer ik uit het blad Onze Taal, in de combinaties van woorden. Er is taal die vertrouwd klinkt, waarin de woorden hun vaste plek hebben en niet met elkaar botsen. En aan de andere kant is er taal die tegen je trommelvlies stuitert en in je hersens knettert. Hersens houden daar niet van. Ze houden van makkelijk verteerbaar, voorgekauwd voer. Er zijn schrijvers die daarvoor kiezen; bij hen is de sneeuw wit of ongerept of smetteloos, het applaus is oorverdovend en ovaties zijn staand, bij hen stelt mama haar vragen bezorgd, is het water koud en de vijver niet erg diep. Dat moet je durven.

Zijn ogen werden groot van afschuw.
Kijk, dat snapt een kind. Nadenken niet nodig.

Zijn ogen waren een zompig moeras waarin je verstikte.
Huh?

Het is het huh-gehalte van Biegels taal die maakt dat wij beroepslezers het zo onverdraaglijk prachtig vinden, een zilver-spuitende fontein, een goudgele honingval. Hij zal er ook vast lezers mee hebben gelokt. Maar niet de méérderheid van de lezers. De modale lezer wil wat hij al weet. Die lust wel pap van afgelikt en voorgekauwd. Meer Paul van Loon wil hij, en later meer Saskia Noort.

Als Schoolschrijver laat ik, bij het uitkiezen van de talenten die door mogen als schrijfgezellen, de beslissing over aan de klas. Ik lees anoniem een ruimhartige selectie van hun verhalen voor en de klas stemt erover. Dan blijken kinderen een verrassend goede smaak te hebben: ze kiezen feilloos de verhalen eruit die het spannendst zijn, en het best geschreven. Daarmee bedoel ik dat de woorden overbrengen wat ze bedoelen, dat de zinnen lopen en de dialogen het verhaal verder brengen.
Maar originaliteit wordt bestraft. Er is ook altijd dat ene kind dat net iets meer kan, dat een originele afloop bedenkt die iedereen ontgaat, of een plotwending in dialoog verstopt. En heel soms is dat zelfs een biegeltje, met oor voor taal.
Dat kind staat met tranen in haar ogen als haar verhaal is weggestemd. Voor zo’n biegeltje is schrijven een hartstocht en afwijzing doodslag.

Nodeloos te zeggen dat biegeltjes toch hun plekje krijgen tussen de gezellen. Mooi moet wel mógen - ja zeg, zou lekker worden! Maar mijn prijs voor de belangrijkste schrijver gaat toch niet naar Paul Prachtig. Eerlijk is eerlijk: het is Paul Publiek die de grootste schrijver is van onze tijd. Hij, de Grote Kinderlokker, heeft van het voorkauwen een kunst gemaakt. Petje af, Paul.


30/12/16

Veelboekerij

Lees meer

‘Ja, maar jij hebt de goede tijd nog meegemaakt’, zegt de uitgever als ik, wijzend op de gaten in mijn zolen, weer eens verzucht dat de honden geen brood meer van me lusten. ‘Denk maar niet dat jonge schrijvers tegenwoordig nog kunnen leven van de pen. Die hebben gewoon een baan.’

Een schrale troost voor iemand die de AOW-gerechtigde leeftijd sneller en sneller nadert. In welke morsige uithoek van de arbeidsmarkt zouden ze nog op mij zitten te wachten? Ik móét wel ‘leven van de pen’, andere opties heb ik niet.

In een televisiedingetje over het Boekenbal kreeg Saskia Noort de vraag of je rijk wordt van schrijven. ‘Ik wel’, zei ze kort, en in dat antwoord lag alles besloten. Zij en nog een stuk of drie damesschrijfsters leven er goed van. In kinderboekenland heb je het na Paul van Loon ook al gauw gehad. De rest van ons zet de sieraden van mams op Marktplaats. De sufferds die niet op tijd een baantje bij de post hebben bemachtigd, schrijven zich het schompes, drie boeken per jaar is niks.

Doorschrijven moet, met die omloopsnelheid tegenwoordig. Boekhandelaren houden een titel hooguit een maandje in het schap. Als het dan niet loopt, houdt de uitgever de opslagruimte bij het Centraal Boekhuis uit beleefdheid nog een halfjaar aan, waarna onverbiddelijk de ramsj volgt. En dan heb je geluk als er vijftienhonderd exemplaren zijn omgezet. Waar je zo’n tweeduizend euro voor krijgt. Waar je dan vier maanden voor gewerkt hebt. De bijstand schuift het dubbele!

Wie heeft er nou wat aan die veelboekerij? Niemand. Schrijvers produceren vooral oud papier.

De schrijver legt de schuld bij de uitgever. De uitgever legt de schuld bij de boekhandel én de hoge kosten van opslag bij het CB. De distributeur zwijgt hooghartig, maar de boekhandelaar legt de schuld bij de consument. En zo is het dus allemaal onze éígen schuld.

En waarom ging het dan in de Goede Tijd wel? Doordat er meer lezers waren? Doordat mensen een boekenkast nog niet beschouwden als een atavistisch stofnest? Doordat er nog zoiets bestond als een openbare bibliotheek, waar altijd wel één exemplaar van de begeerde titel te vinden was, ook als de andere zeven bandjes waren uitgeleend?

Zeker. Maar vooral ook: doordat er minder titels per jaar verschenen. En dat kwam doordat uitgevers een roeping voelden, in plaats van zich te laten voortjagen door omzetcijfers. En doordat er dus ook niet zo idioot veel schrijvers waren. Die bovendien de tijd namen voor een boek - ja zeg, het was dus wel een bóék. Berekend op de eeuwigheid. (Helaas, de eeuwigheid is ook al dood.)

Het was Wieke van Oordt die de verzamelde schrijvers op de laatste Middag van het Kinderboek opriep tot zelfbeheersing. Eén boek per jaar is genoeg, betoogde ze. Dan produceren we tenminste niet meer voor de ramsj. Laat ze het uitzoeken, die boekverkopers! Lezers varen er immers wel bij als wij een boek een paar maanden kunnen laten liggen om er nog eens naar te kijken, er een rondje omheen te lopen, het bij nader inzien helemaal om te gooien en lekker op ons gemak bij te schaven... Wie weet nemen lezers wel weer een boekenkast.

Als wij zo’n stiptheidsactie houden, komt er opeens heel veel schapruimte vrij bij het CB - laat ze maar proberen het tarief zo hoog te houden dan. En ik wed dat er van lieverlee een heleboel schrijvers terugkeren naar de reclame of de wondere wereld van Sanoma of het onderwijs - of waar ze ook vandaan gekropen zijn. Zodat de sloebers die niets anders kunnen, die voortgestuwd worden door hun verhálen, omdat de pijn van het menszijn zich telkens op nieuwe manieren aan ons voordoet, en omdat die pijn onverdraaglijk wordt als wij er geen vingers op leggen... dan komen wij sloebers eindelijk eens toe aan ons Boek van violet en dood - maar dan beter.

En de rest van onze dagen komen we daarover praten, in rokerige huiskamers, tegen betaling in natura. Een bosje kaarsen voor thuis, een voedzame maaltijd, of een plek in het bed van de gastvrouw.

Ik doe het ervoor.


30/12/16

De twee wegen naar een BMW

Lees meer

Geef kinderen de kans om vragen te stellen, en er is in iedere klas wel een jongetje dat vraagt hoeveel dat nou verdient, boeken schrijven. Ze zouden eventueel nog wel bereid zijn er hun beroep van te maken, maar ze willen natuurlijk wel, zoals alle jongetjes, in een beetje een leuke auto rijden later.

Daarom is mijn allerbeste leesbevorderingstruc voor jongens deze: ik zeg dat ze op de weg eens moeten opletten op nieuwe BMW’s, Mercedessen en Audi A5en. En dan zeg ik: daar zit óf een crimineel in, óf iemand die leest. Nog steeds leest. Waarschijnlijk meer dan dúízend boeken gelezen heeft in zijn leven. (In feite natuurlijk meer, maar alles boven de duizend gaat sowieso het bevattingsvermogen te boven.)
En daar voeg ik dan achteloos aan toe: ‘Maar jij wilt misschien drugsdealer worden?’ Dan zie je ze schrikken. O ja? Is dat de keuze?
Vervolgens vertel ik natuurlijk spannende verhalen over lezen en schrijven, want het moet wel een lolletje blijven, en zo leid ik ze met zachte hand terug in hun comfortzone. O ja, dit is gewoon weer zo’n boekenmevrouw.

Jongetjes - wij die wel eens een klaslokaal van binnen zien wisten het al veel langer, maar nu is het ook wetenschappelijk bewezen en statistisch aantoonbaar - hebben het moeilijk. Ze worden aan alle kanten ingehaald door slimme meiden die zich op een glanzende toekomst voorbereiden. Ik heb zelfs al gelezen dat mannen binnenkort zelfs als vuilnisman en genenleverancier geen kans meer maken, overbodig geworden door robotica en biotechnologie. Er zijn nog mensen die beweren dat uitvindingen doorgaans door mannen worden gedaan, en ik hoop dat die gelijk blijken te hebben. Maar een feit blijft dat jongens die rotmeiden aan alle kanten voorbij zien racen zonder dat ze daar verweer tegen hebben.
Dat vind ik zielig, vandaar dat mijn leesbevorderingstruc zo rauw is. Jongetjes moet je vangen met jongetjesmanieren. Linkse hoek.

Er wordt gesuggereerd dat al die juffen voor de klas het probleem zijn: jongens moeten maar stilzitten en hebben niemand om zich mee te identificeren. Maar ik denk dat er nog een andere oorzaak is waardoor jongetjes afhaken bij het leren: ze zien geen mannen lezen. Ja, tenzij hun vader een BMW rijdt en géén bajesklant is, maar daar zijn er veel te weinig van. De doorsnee-vader zit maar wat te klooien achter de computer of slaapt bij de televisie. Oma leest, mama leest, zusje leest, juf leest, maar papa is de leider van de E-tjes en de buurman heeft een drone.

Het was dus een dapper initiatief, dat van de voorleesvaders. En er zullen vast driehonderd vaders in het land zijn geweest die het hebben opgepikt en die nu minstens eens per maand een voorleesboek pakken. Maar hún zoontjes zijn niet degenen die het meest tekortkomen op leesgebied. En als je bij ‘Actuele activiteiten’ klikt op www.vadersvoorlezen.nl zie je... niets. Geen activiteiten gepland voor de komende maanden. Het zoveelste mooie initiatief bloedt zachtkens dood.

Lezen is een wijvending, het is zonde dat ik het zeg. Dáár moeten we vanaf. Ik wil hier dan ook een paar onderschatte schrijvers een veer in hun reet steken: Fred Diks, Gerard van Gemert, Dirk Nielandt, de oude H. de Roos. En de nieuwe B.M. de Roos - ook wel bekend als Bies van Ede en Maarten Veldhuis. Geen psychologisch gemeier, maar actie! Scoren, paffen, gas erop! Jongens hebben we nodig, echte jongens - anders valt er straks voor onze achterkleindochters in bed écht niets anders meer te doen dan lezen.
 


15/12/16

Mijn nacht met David Bowie

Lees meer

Er zijn schrijvers die nuffig beweren dat ze nooit iets uit hun eigen leven gebruiken bij het opzetten van hun romans. Aan de andere kant zijn er schrijvers die een tweede huis bekostigen van hun waargebeurde tranentrekkers. Natuurlijk zitten de meeste schrijvers daar tussenin, maar laten we zeggen: de kans dat u - ja, jij daar lezer! - Tonio en I.M. hebt gelezen is ongeveer 93 procent.

Als ik boven dit stukje had gezet: Een visie op het autobiografisch gehalte van de gemiddelde (jeugd)roman in het Nederlands taalgebied, had niemand het gelezen. Maar de vraag of David Bowie na het giechelige samenzijn met Patricia Paay de moed heeft gehad om nóg een Nederlandse te bestijgen, prangt meer. Wij zijn van nature roddelkonten - niet voor niets is in de heilige boeken een verbod op kwaadspreken opgenomen. We willen alle ranzige details uit elkaars loserleven weten. Meer, meer!

Vandaar ook dat dagboeken zo goed verkopen, en weduweboeken, en familiekronieken, en vandaar dat iedere generatie weer het ultieme Boek-van-mijn-moeder-die-dement-werd-en-stierf oplevert. En om diezelfde reden kunnen zelfs middelmatige schrijvers die toevallig bevriend zijn geweest met een tragisch-jong-gestorven grote geest nog makkelijk een decennium van zo’n vriendschap leven. Die jammerverhalen gaan erin als koek. Wij mensen willen, o zeker, allemaal het goede, maar intussen smullen we van andermans drama en wentelen we ons als varkens in het besef dat het zó ver met onszelf tenminste niet gekomen is.
En als het goed afloopt, bevestigt dat onze illusie dat wij ook, ooit, een held zullen zijn.

‘Waar gebeurd’ garandeert grote oplagen. Zelfs de echt groten zijn niet vies van die verkooptruc. Gabriel García Márquez hield levenslang vol dat hij nooit iets verzonnen had. Sinds kort weet ik hoe dat werkt. Zonder iets te verzinnen kun je toch een mooi stuk fictie afleveren. En alles echt gebeurd - alleen niet per se daar of toen, en ook niet noodzakelijkerwijs met dezelfde persoon.

Toevallig krijg ik net de Nouveau in handen, waarin een interview met een door mij bewonderde schrijfster. Broertje dood, kindje dood en dan óók nog stemmingswisselingen - smullen! Maar tot mijn teleurstelling blijkt ze uit een warm nest te komen. Terwijl ik een zielsverwant - wat? een lotgenoot! - had menen te ontwaren achter haar roman over een ondraaglijke jeugd. Dat boek is nu gewoon een knap stuk werk, in plaats van een ontmoeting. Jammer hoor. Maar lees het interview! Allemaal waar gebeurd!

Van alle verhalen die ik ooit heb verzonnen, vinden de verhalen die ik op feiten heb gebaseerd de meeste aftrek, ook bij kinderen. En van alle waargebeurde verhalen worden autobiografische het meest beduimeld. Daar krijg je vragen over: ‘Ging jouw vader echt zo vaak vreemd?’ Ik lees net een brief van iemand die het betreurt dat ‘mijn vriend Kees Rood zo hopsa in de IJssel is verdwenen’. Ja, ik heb de as van mijn vader inderdaad... maar niet hopsa. Het komt uit een verhaal, niet uit een proces-verbaal. Maar we geloven verhalen nu eenmaal liever dan feiten.

De nacht van 25 op 26 juni 1983 bracht ik trouwens door op een Zuid-Hollands strand. Zonder de man met wie ik vreemd had willen gaan als mijn zusje er niet eerder bij was geweest. Mijn kleren heb ik tegen de ochtend maar weer gewoon aangetrokken. Noem het stemmingswisselingen.

‘Heeft jouw zusje dan echt met David Bowie...?’


15/12/16

Jezennia's taart

Lees meer

Als kinderen schrijven doen ze dat vaak over een Tim en een Anna. Ook als ze zelf Feliciano en Bonita heten, of Abdellatif en Zeynep. Lang niet in alle klassen zitten ze, die Anna en Tim. Misschien hebben Abdellatif en Zeynep die kazennamen uit een taalmethode? Ook in de AVI-boekjes van Zwijsen ritselt het van de Anna’s.

Tim en Tom, Stef en Stijn.
Roos en Lola, Jitske en Jolijn.
Bas en Sam, Emma en Pam.
Teun en Thijs, Wouter en Gijs.
Kim, Evelien, Roza en Pien.
En maar héél af en toe een eenzame Murat of Yasmine.

Lezen is voor té veel kinderen iets dat bij school hoort. Boeken zijn een raar soort hobby van witte mensen, aangeprezen door meest witte juffen. (Er zijn nog wat bruine juffen die degelijk de spelling onderwijzen en eisen dat je met twee woorden spreekt. Een enkele jonge juf heet Ilham. En ‘meester Ahmed’ blijkt meestal de tweedekansconciërge te zijn.)

Vraag kinderen waarom ze zouden moeten lezen, en ze zeggen volautomatisch: ‘Om mijn woordenschat uit te breiden.’ Dank je wel juf, dat heb je er mooi ingepeperd. Intussen bestaat hun woordenschat in werkelijkheid uit emoji’s en termen als ‘dissen’ en ‘bitch’. Waar ze in hun eigen dagelijks leven ook meer aan hebben.

Ik hoorde over het jongetje dat zijn juf bitch had genoemd. Schande! vond de verteller het. Maar ik dacht: dat arme kind wéét helemaal niet dat hij een grens overschrijdt. Hij denkt dat ‘bitch’ vrouw betekent; hij kent eenvoudig geen ander woord. (Ik ken ook jongetjesmensen die vrouwen steevast een ‘gleuf’ noemen. Die lezen ook nooit een boek, maar ze zijn wel lid van een hockeyclub, dus niemand hoeft bang te zijn dat zíj niet goed terechtkomen. Je hoort er dan ook zelden schande van spreken.)

Wat ik als Schoolschrijver en de laatste tijd ook bij gewone schoolbezoeken probeer te doen, is overbrengen wat je hébt aan een verhaal. Ook kinderen die lezen niet van thuis meekrijgen, kunnen zich het letterenrijk toeëigenen. Dan moet je meer doen dan de naam Tim vervangen door Karim, want als jouw Karim een hondje van zijn bord laat eten, heeft Abdellatif er nog steeds heel weinig mee. Een hond is immers zo haram als de pest.

Mijn uren in de klas zijn eigenlijk het belangrijkste deel van mijn werk geworden. Voorlezen vindt iedereen altijd fijn. Kinderen merken zo dat een verhaal een vluchtheuvel kan zijn in het echte, eigen, misschien niet zo lekkere leven. Maar ik probeer kinderen ook aan de praat te krijgen over wat henzelf bezighoudt. Als Schoolschrijver lukt dat het beste omdat ik kinderen dan goed leer kennen. En dan krijg ik ineens een briefje in mijn handen gedrukt met een synopsis die zo begint: ‘Xinia wordt gepest omdat ze dik en bruin is...’

De bedenkster van dat verhaal heet Jezennia, haar familie komt uit Ghana, er worden thuis geen verjaardagen gevierd omdat dat afleidt van Jehova en ze weet niet altijd zeker wie haar beste vriendin is. Toch gaat Xinia’s wraak niet over Jezennia. We hebben het wel samen zitten bedenken, in het logopediekamertje van de school, en Jezennia is de trotse eigenaar van dat verhaal. Met Oud en Nieuw kreeg ik een taart van haar. Hij was versierd met twee mensen waarvan er een, de kleinste, een boekje vasthield. Dat boekje van marsepein heette Xinia’s wraak.

Eigenaarschap, daar gaat het om. Als kinderen voelen dat verhalen ook van hén zijn, komt dat lezen heus wel.


14/01/16

Verhalen om te doen

Lees meer

 

Je kunt er van vinden wat je wilt, maar ook ik heb steeds minder geduld om te lezen. Lezen is het heerlijkste dat er is; zelfs kinderen vertellen me vaak dat je in een geschreven verhaal veel meer op kunt gaan dan in een film of een game. Er is maar één nadeel aan: je zit zo akelig stil als je leest. Na een tijdje krijg ik kriebels in mijn vingers en mijn benen. Ik wil wat dóén.

 

Een vorm van verhalen die gelukkig weer steeds meer wordt gewaardeerd is het spel. Het is de enige verhaalvorm waarin je net zo kunt opgaan als wanneer je leest, terwijl je intussen volop in de weer bent. Omdat een groot deel van mijn werk bestaat uit het aan het lezen krijgen van jongens (allemaal) en meisjes (uit boekenarme milieus) die hun kansen voor later anders verkeken zien, hang ik meer en meer naar de kant van het spel als ik op scholen kom vertellen.

Natuurlijk, een vragenspervuur is altijd leuk. Maar je kunt, heb ik gemerkt, veel meer overbrengen als je kinderen activeert. Dat is natuurlijk ook het modernste inzicht in de didactiek. Leren door te doen is effectiever dan mondelinge overdracht.

 

Yes! Ik mag spelen van mezelf! Het leuke eraan is dat je, hoe vaak je een spel ook doet, altijd weer iets anders ziet gebeuren. Iedere klas maakt iets nieuws, iets eigens van zo’n spelverhaal. En dat is niet alleen opwindend om te zien, het is ook leerzaam. Je ziet als het ware wat er met jouw verhalen gebeurt in de hoofden van je lezers. Ze doen het je namelijk in levende lijve voor.

 

Spellen verzinnen is een hartstocht uit mijn vroegste jeugd; ik heb het altijd gedaan. Voor verjaarspartijtjes of gewoon om de buurkinderen een leuk middagje te bezorgen. Hoe is het mogelijk dat ik er pas de laatste jaren achter kom dat het spel ideaal is voor in de klas?

 

Het antwoord is helaas dat het nu pas urgent wordt. Lezen is zó op zijn retour dat je er niet meer komt met een abstract verhaal over Mijn Schrijverschap. Dat interesseert kinderen namelijk geen barst. Wie nooit een boek in handen heeft, wordt niet koud of warm van zo’n figuur die zich met een feestelijk gezicht presenteert als Schrijver... Boeie!

 

Ik ben nu - samen met een illustrator van negen jaar oud - een voorleesboekje aan het maken voor de Kinderboekenweek. Koning Opa de Eerste heet het verhaal - en natuurlijk hoort er een spel bij voor in de klas. Ik zit hele dagen gezellig te knutselen, en toch is dat werk. Belangrijk werk, denk ik. Want na afloop van het spel weet ook een groep 5 waarom wij elkaar verhalen vertellen. En zelfs, ongelogen, zullen ze hierna levenslang kunnen uitleggen wat een allegorie is.
Terwijl ze morgen alweer vergeten zijn of ik huisdieren heb, en hoe of ik ook alweer heet.

 


03/12/15

Droge voeten

Lees meer

Onder stormgebulder sloegen zoute golven over de dijken rond de Zuiderzee toen het dorp waar ik woon overstroomde - het is honderd jaar geleden, maar ik zie het nog voor me, want ik heb erover geschreven. De overstromingsramp trof alle kusten rond de Zuiderzee, vooral in het zuiden, en leidde eindelijk tot de aanleg van de Afsluitdijk. Mijn boek daarover heet De stem van het water en is nu te koop als e-boek. Er is ook een hoorspel van gemaakt, sinds kort ook weer verkrijgbaar. Want we slaan binnenkort grotelijks aan het herdenken.

 

Natte voeten noemen we die rampspoed nu, want we zijn met z’n allen zo’n vredig en gezapig leventje gaan leiden, dat we niet meer weten hoe menens het was. Onze jongemannen moeten uit vernielen of naar Syrië om hun teveel aan testosteron kwijt te raken. Dat er hele huizen wegspoelden en de koeienlijken tegen de dijken dreven, we weten het niet meer. We zijn ook vergeten hoe je moet vechten tegen de elementen. Toch was mijn oma al volwassen toen grote stukken Nederland onder water kwamen te staan. Zó lang geleden is het niet.

 

Maar misschien zijn we minder veilig dan we denken? Op de klimaattop in Parijs worden nu eindelijk spijkers met koppen geslagen, maar de vraag is of we er op tijd bij zijn. Overstromingen in het verschiet: de tijd van gezapigheid is voor ons voorbij. We moeten weer vechten tegen het water.

 

Soms denk ik dat het beter is dan bushokjes slopen. Bang zijn is heel gezond op zijn tijd, als je maar weet hoe je je teweer moet stellen. En dat betekent meer dan leren zwemmen. Wat jonge mensen best weer mogen leren, is dat alles zijn prijs heeft. Als je je merkkleren weg ziet drijven, besef je misschien wat ze hebben gekost.

 

Herdenken gaat van au. Maar lezen blijft lekker - en het kan nu nog met droge voeten.

 


29/10/15

Nederland leest (mij!)

Lees meer

Tommy Wierenga was er niet, Thomas Verbogt was er niet, en natuurlijk was Nescio er ook niet. Je zou kunnen zeggen: er waren alleen Vlamingen en mensen van wie zowat niemand weet dat ze korte verhalen schrijven. Aan de andere kant was die jongen van De Jeugd van tegenwoordig er wel, op de Lange lunch van het korte verhaal. De lunch was ter ere van de bundel die is samengesteld door A.L. Snijders. Nederland leest! al tien jaar, en ik was er ook.


En weet je wat het leuke is? A. L. Snijders (ik mag hem nu anders noemen) had mijn verhaal op zijn tafel staan, in een ererijtje. Je ziet hoe hapsnap hij gekozen heeft in het filmpje 'Op bezoek bij A. L. Snijders'. Kan me niet schelen!

Goed opletten, het is (op 1.37) dat rode boekje waarover hij zegt ‘... hoe heet het...’ Tja, ik had ook liever gewild dat hij mij met naam en toenaam paraat had. Maar hij zegt wel heel blij 'Kijk!'

 

‘Schrijf nu eens een pronkjuweeltje’, zei mijn vader de laatste jaren van zijn leven telkens. Hij had haast: hij wilde het nog meemaken dat ik werd opgenomen in een eregalerij. Ik ben een beetje een miskende schrijver, al zeg ik het zelf. Thrillers, porno en kinderboekjes, daar kom je er niet mee in het Land der Letteren. Sterrecensent Arjan Peters zei een keer tegen me: ‘Ik lees jouw boeken niet.’ Ik had mijn antwoord al jaren eerder bedacht: ‘Dat weet ik’, zei ik dus prompt, ‘en dat is heel dom van je.’

 

Op de Lange lunch van het korte verhaal beloofde de door mij bewonderde Erik van den Berg, boekenredacteur van de Volkskrant, Arjan Peters te dwingen mijn verhaal te lezen. Omdat hij het ‘echt’ heel mooi vond.

 

Het pronkjuweeltje kwam er over mijn vaders lijk, uitgegeven door de Geiten Pers in Brummen. Voor mijn vader dus te laat, die drijft allang vloksgewijs in de IJssel, waar het verhaal trouwens over gaat. En dat hij dan aanslibt op zijn geboortegrond, en dat het allemaal niks uitmaakt, omdat we over honderd jaar toch allemaal dood zijn - maar dan mooier opgeschreven, want ik kán het wel.

 

‘Ik heb je vader trouwens wel eens ontmoet’, zei A.L. Snijders na die lange lunch. ‘Hij woonde destijds in Doesburg. Is het de burgemeester van dát stadje aan de IJssel die vond dat jouw vader een groot dichter was?’

 

Maar we moeten niet op alle vragen die de literatuur opwerpt het antwoord willen weten.

 

 


16/04/15

Dag van de Jonge Jury

Lees meer

De verliezers in het schijversvak op de Dag van de Jonge Jury zijn niet al te diep teleurgesteld; jongeren hebben een voorspelbare smaak.  Rindert Kromhout (bruin jasje), Sjoerd Kuyper (zwart jasje) en ik zijn al blij dat we erbij mogen zijn. Anna Woltz (stippeltjesjurk) en Rob Ruggenberg (rood jasje) zijn serieuze kanshebbers, net als Helen Vreeswijk. Maar natuurlijk won Mel Wallis de Vries (grijs jasje, op het podium); zij leek de enige te zijn die daar verbaasd over was.

 

Wat ik nou zo graag een keer wil: met één en hetzelfde boek kans maken op de Gouden Lijst of een Griffel van de vakjury's, én scoren bij de Jonge Jury. 'Dat is precies waar onze uitgeverij voor staat', zei mijn uitgeefster.

En met succes, want Emiel de Wild kreeg van de Jonge Jury de Debuutprijs voor Broergeheim, dat ook al een Griffel kreeg. Proficiat!

 

Nu ik. Mijn geheime wapen heet Survival - een boek over mijn vroegere, ongelukkige zelf. Ik zat flink in de zenuwen of de uitgeefster het niet te heftig zou vinden. Maar deze week kwam het verlossende mailtje.  Pfjoe!

 


18/06/15

Springlevende dichters (en een dode)

Lees meer

Avondgymnastiek

 

Op een dag lag ik ziek in bed toen ik mijn vader naar boven hoorde stommelen. Een zeldzaamheid, want hij meed de verdieping van de kinderen, zeker sinds we pubers waren. De poes, die nog niet beter wist, moet langs zijn benen hebben gestreken; ik hoorde een mauw om aandacht.


‘Mao is dood’, snibde mijn vader.


Ik grinnikte onder de deken.
Zo’n familie waren wij: mijn vader wist niet dat ik daar ziek lag. Ik liet hem niet weten dat ik moest lachen om zijn grapje. En ook de poes kwam aandacht tekort.

 

 

Mijn vader, zelfbenoemde dichter als hij was, vond vrijheid veel belangrijker dan regels, en vrijheid van het woord was voor hem vitaal: hij stopte zelden met praten. Een gedicht was voor mijn vader geen gedicht zolang hij het niet had voorgelezen. En opnieuw en opnieuw, tot het bezoek met jassen aan in de gang stond. Vreemd genoeg noemde Leo Vroman mijn vader een stille man. Maar die kende hem alleen van zijn gedichten.


Wij mochten zo laat thuis komen als ons uitkwam en met iedereen naar bed, maar wandaden werden genadeloos afgestraft. Ezelsoren in boeken maken, of nog erger: erin strepen. Een boek open neerleggen, zodat de rug brak. En, merkwaardig genoeg, gedichten schrijven. Verhaaltjes verzinnen kon geen kwaad, maar waagden we het een gedicht op papier te zetten, dan werd hij spijkerhard. Met wat voor mal versje kwam ik nu weer aan? Eén lettergreep te veel en het was geen haiku; kwam de wending één regel te laat, dan was het geen sonnet (waar hij dan wel gelijk in had, maar was het ook een slecht gedicht?).


Pas een jaar of dertig later begreep ik dat mijn vader mij niet duldde op zijn terrein. Stel dat ik het beter kon?
Gedichten schrijven durf ik nog altijd niet. Ik durf ze amper te lezen - alleen mijn vader snapte poëzie. En dat hij geen wereldberoemde dichter was, dat was een foutje van het universum.

Dus wat doe ik in hemelsnaam op de opening vanPoetry International? Ik zit erbij als Ma Flodder bij het Nationaal Ballet: meewippen met mijn voet, verder kom ik niet. Betekenis bereikt me niet. Lichaamstaal duid ik makkelijker: beroemd als ze zijn, durven de meeste dichters hun publiek niet aan te kijken. Bij hen thuis hoeft het bezoek niet op de vlucht te slaan.

 

Mijn vader is vandaag precies twee jaar dood, en ik heb al zijn poëziebundels meegeschoept. Avondgymnastiek! Op mijn rug rust de wind: het mechaniek van de ontroering. De hectaren van het geheugen, laaglandse hymnen. Stem onder mijn bed: het ging over rozen. Het kalme glijden van de boot naar de waterval tevoorschijnbaar; het uit van geluk.

 

Dit zijn maar titels. Ik durf de bundeltjes nog altijd niet open te slaan. Stel dat ik die gedichten móóier vind dan die van mijn vader? Dat het universum gelijk heeft gehad?
Hij verdiende geen eer of aanbidding, zelfs liefde vergat hij te verdienen, maar mededogen kwam hem toe. Shit, nou moet ik huilen. Ander onderwerp, snel: veilig terrein.

 

In China zou het grapje tussen mijn vader en de poes niet aangekomen zijn. In China betekent ‘mauw’ geen Mao maar poes. Dat pik ik op uit de voordracht van Guo Jinniu tijdens de opening van het festival. Het is het enige van die werveltotaalstorm dat mijn geheugen bereikt - met het besef wat ik bij die dichters te zoeken heb. Vrede met de schemering. Verlangen naar de rand van de waterval. Mededogen.


Wat een sublieme vorm van avondgymnastiek.

 


02/04/15

Eindelijk (bijna) een volwaardig schrijver...

Lees meer

Vaak heb ik over voetballen en voetballers geschreven, maar nooit kon ik laten zien wat er in de kleedkamer gebeurde: ik had namelijk geen idee. Nooit op voetballen gezeten en zelfs niet op een andere teamsport.

Maar nu, 57 jaar oud, ben ik op voetballen gegaan. Dames 35+, zeven tegen zeven, halfuurtje en dan rust - maar toch. Ik draaf en zweet en draai en hak en schoffel en roep verbolgen 'Scheids!' Ik heb zelfs al een penalty veroorzaakt en stiekem ingegooid terwijl ik zelf de bal over de lijn had getrapt. Eindelijk binnen de lijnen, in plaats van altijd maar langs de kant.

 

Nu weet ik hoe een materialenhok eruit ziet. En ik weet waarom de coach altijd gelijk heeft. En ik begrijp waarom mijn kind áltijd naar trainen wilde, hoe koud en hoe nat het ook was. En het belangrijkste: ik weet nu eindelijk ook wat er in de kleedkamer gebeurt.

 

Bijna een volwaardig schrijver... er ontbreekt nog maar één ding: ik zou wel eens een weekje een jongen willen zijn. Want jongenskleedkamers, tja, daar mag ik nog steeds niet in. Een troost: iedere week zegt de coach weer: 'En Lydia is Laatste Man.'

 

(De foto laat een detail zien van de reportage in NRC Handelsblad van 21 maart 2015.)
 


01/06/15

Afscheid van de Schoolschrijver

Lees meer

Kinderen nemen afscheid van hun Schoolschrijvers... en wij van hen!

Niet zomaar even iets. Een halfjaar lang zijn we samen opgetrokken, hebben we elkaars geheimen gedeeld en elkaars zielenroerselen gelezen. En nu is het opeens afgelopen.

Maar hartroerend was het afscheid in de Schouwburg wel. 'Mijn' Youssef vertelde op het toneel uit zijn hoofd over die jongen die zo'n rotleven had dat hij nergens heen kon. En toen ook nog eens door de vader van zijn vriendinnetje de deur uit werd gezet, omdat hij niet goed genoeg voor haar was.

 

'Wat heb je van jouw Schoolschrijver geleerd?' vroeg presentator Abdelkader Benali.

'Dat je verhalen uit je hart moet schrijven', zei Youssef.

Ja, en toen schoot er dus een Schoolschrijver vol. Mission accomplished.

 

We zongen met Anneke Scholtens  'Als je leest droom je je leven van je af...' en daarna klommen 'mijn' kinderen het toneel op voor een laatste knuffel. Dank je, Chris van Houts, dat je dat moment voor me ving!

 

Wie nog twijfelt aan het nut van de Schoolschrijver, kan zich hier overtuigen.

 

 


16/03/15

Gelukkig dorpsjongetje

Lees meer

Een bibliothecaresse schrijft me over Friso uit de plusklas, die Ali’s oorlog had gelezen. Hij gaf er een 8 voor. Na een gesprek met de bibliothecaresse paste hij zijn oordeel aan. Nee, bij nader inzien was het boek geen 8 waard. Het kwam dus niet op Jeugdbieb.nl.

 

Friso in zijn verslag:
Yessin heeft een dilemma. Zijn ouders willen dat hij goede cijfers op school haalt en op school wordt hij door Ali gedwongen om foute dingen te doen. Ongewild komt hij in aanraking met de politie.
Yessin is een goede en een slimme jongen die omgaat met de verkeerde klasgenoten. Hij laat zich ongewild meeslepen in foute zaken. Hij zit in groep 8 van de basisschool en wil graag naar het vwo. Hiervoor heeft hij een hoge cito score nodig. Door alle stress kan hij zich niet concentreren op schoolzaken en verpest hij zijn toetsen. Yessin is heel bang voor zijn klasgenoot Ali. Als Yessin Ali niet mee helpt met criminele activiteiten dan stuurt Ali zijn broers op hem af.  Uit angst doet hij mee.
In grote steden zal het vast regelmatig voorkomen. Voor mij is het een hele nieuwe wereld. Bij ons op school gaat het er veel fijner aan toe.


   
* Wat wil jij graag van dit boek onthouden?
Laat je niet beïnvloeden door kinderen met slechte bedoelingen.
Pesten is echt verschrikkelijk.

* Dit wil ik graag ook nog vertellen over het boek:
In het boek staan soms foute woorden.

* Ik las dit boek en vond het
heftig en ben blij dat ik in een dorp opgroei.

 

Doel bereikt, denk ik als schrijver. Friso kan zich Yessins positie weliswaar ‘moeilijk voorstellen’, maar hij concludeert toch: ‘laat je niet beïnvloeden’ - en dat is wijsheid die ook op het platteland van pas kan komen.

 

Waarom moest er doorgepraat worden met deze jongen, net zolang tot hij een 6,5 gaf - en het boek geen leestip op de website meer verdiende?
Wat erachter zit, verraadt zich in de term ‘foute woorden’. Fout. Dat is een woord dat kinderen leren van opvoeders. Ze weten: je kunt van alles fout doen, en er is meestal maar één ding goed. Als Friso dit woord zelf heeft gebruikt, voelde hij wie er over zijn schouder meekeek.

 

De bibliothecaresse beheert een site die voor alles een ‘veilige omgeving’ wil zijn - ‘Wanneer [kinderen] surfen binnen Jeugdbieb worden zij niet geconfronteerd met sites met ongewenste inhoud, vervelende en enge plaatjes of teksten (racisme, discriminatie, porno, geweld, pesten, veel reclame).’


Aha! De site is een kweekvijver voor wereldvreemde kinderen!


Over Friso mailt ze: ‘We spraken over het boek en hij (...) gaf aan dat hij de scheldpartijen erg naar vond. Uiteindelijk vulde hij het leestip-formulier in en gaf een ander oordeel. Eerlijk en direct. Geen leestip op Jeugdbieb. Wij vinden het jammer maar willen zijn mening zeker respecteren. Een verslag van een “gelukkig dorpsjongetje” die (sic) de boze wereld nog graag ver van zich houdt, willen wij u zeker niet onthouden.’

 

Eerlijk en direct?
Ik bespeur hier onwaarachtigheid, hypocrisie en emotionele chantage (het joch gaf ‘uiteindelijk’ toe....). De website, geheel opgemaakt in pasteltinten en met een ongezonde belangstelling voor koningen en koninginnen, ademt een geur van mazelen en polio.


Arme Friso. Ook bij hem vermoed ik een dilemma... Misschien moest ik over hém een boek schrijven.


30/03/15

Literatour

Lees meer

AAARGH! Ik ben een doelgroep!

Dat gevoel zou mij - als ik nu nog mijn rijbewijs moest halen - telkens overvallen als ik van die jongjolige reclameteksten te verstouwen kreeg. Al die must-haves en must-reads zijn vet-cool-mega-wreed-giga-chill-super-te-wauw! (O nee, sorry: te wauw was een uitdrukking uit mijn eigen prehistorische jeugdtaal. Dat zeiden mijn vrienden, wazige types met pluisbaardjes die hun spijkerbroeken nog eerlijk zelf versleten. Ze lazen On the road maar bleven de hele dag in bed, en ze vonden alles psychedelies tot ze uit het zolderraam sprongen.

Daar stond dan weer tegenover dat ze hun orgasmen op eigen kracht bereikten, helemaal zonder pilletjes, en meestal ook zonder ander jongetje of meisje want dat hadden ze daar op die zolderkamer lang niet altijd bij de hand. Soms hadden ze geluk en lag Jan Wolkers onder het nachtkastje, als het van hun leraar Nederlands mocht. Seks had je trouwens niet in die dagen, het heette vrijen - vree - gevreejen, maar bijna niemand die dat deej want er keken altijd ouders meej. Of mede, want het was ook ontzettend hip en gaaf en in om de taal van G.K. van het Reve te imiteren, die later de volksschrijver Reve werd. Daar vereenzelvigde menig jongmens zich mede - vraag me niet waarom, met al die geheime openingen en neukende ezels van hem. Dat hij voor de rechter moest verschijnen omdat hij die ezel de Here Jezus noemde, maakt dat iedereen denkt dat het woeste dagen waren, maar helaas, juist niet, je maakte gewoon je huiswerk en daarna lag je zonder koptelefoon te verstoffen op je zolderkamer. Of je naaide kraaltjes op de slijtplekken op je te gekke spijkerbroek, wat ongehoord veel werk was, of je schreef in het geheim aan het literaire debuut dat de wereld zou veranderen, wat dan mislukte omdat je beste vriend die het mocht lezen na twee bladzijden de existentiële vraag beantwoord wilde hebben of vingeren verkering betekent, en hoe vaak het dan moet voordat.

Vingeren was trouwens een techniek die niemand beheerste, ook de meeste meisjes niet, zodat je 55-plussers die melig doen over ‘in mijn tijd’ nooit moet geloven, want het was vooral dodelijk saai. De te gekke vogels die je je vrienden noemde lagen stoned op een hoop en áls je al eens aan het zoenen raakte, kon je verkering zomaar midden in een zoen in slaap vallen.  Zonder In de ban van de ring was ik ook uit mijn dakraam geklommen. Die boeken waren het énige dat we hadden. Dus. Niks te wauw. Maar die tijd had één groot voordeel: we hadden geen cent, dus een doelgroep waren we niet - tenzij voor de ME.)

 

Nu gaan we met zijn allen op Literatour. Leuke jonge schrijvers (en een enkel oudje) worden langs leuke jonge lezers gejaagd, in de hoop dat er chemie ontstaat. (Laat ik dit zeggen: dat horden meisjes Mano Bouzamour aan hun Instagram toevoegen na zijn bezoek heeft misschien minder te maken met books dan met looks...)

Campagnes luiden meestal het einde van iets in. Als er zoveel duurbetaalde energie tegen iets aan moet, is dat iets waarschijnlijk ten dode opgeschreven. Er verschijnen de laatste jaren ook heel veel boeken met boeken in de hoofdrol. Héél slecht teken.


Of slecht? Voor wie eigenlijk? Een boek is maar een medium. Binnenkort achterhaald, net als de fax. (Ook een e-boek is een boek, trouwens, en ook dat zal de 22ste eeuw niet halen. Lettertjes raken meer en meer overbodig, wát 55-plussers ook beweren.) Zodra ik dood ben, verbranden mijn kleinkinderen die zeven- of achtduizend papieren boeken meteen, want geen mens wil die stofnesten dan nog hebben. En pixels zijn ook niet eeuwig.


Maar het verháál is natuurlijk springlevend. Iedereen heeft er wel een. Ik heb zelf na veertig jaar eindelijk genoteerd hoe ik zonder kleerscheuren voorbij de zolderramen ben geraakt. Je verhaal vertellen is met de billen bloot gaan - het duurde even voor ik dat durfde. In feite is Survival (het gaat vandaag naar de uitgever) mijn eerste boek - en al verandert het de wereld niet, mijn wereld verandert het wél. Want als ik eruit voorlees, in een klas vol mensen zonder rijbewijs, gebeurt er iets. Niks doelgroep: ze horen me. Ze begrijpen me. Ze weten wie ik ben. En het mooiste nog: ze lijken op me.
En dat is zonder meer te wauw.

 

(Eerder verschenen op literatuursite Hebban.)


23/02/15

Marietje Appelgat leeft

Lees meer

Heerlijk bericht van collega-Schoolschrijver Anneke Scholtens:

 

‘Gisteren kreeg ik het op De Regenboog over Marietje Appelgat. We hadden het eigenlijk over iets anders, maar goed, ik zei dat het lezen van een halve bladzij in dat boek genoeg om het geheel te willen lezen. Dat wilde men bewezen zien natuurlijk, dus las ik ruimhartig een hele bladzij. Ik ging door op het onderwerp, waar we het eigenlijk over hadden en zag vanuit mijn ooghoek een lange slungel van wie mij gezegd was dat hij niet las, dat hij lezen en schrijven sowieso niet stoer vond, achter zijn tafel vandaan sluipen naar het stapeltje boeken waarin ik Marietje had teruggestopt. Hij haalde het er feilloos uit (ik zag niets, dat begrijp je), sloop terug, legde het boek op de hoek van zijn tafel klaar met een blaadje erop zodat vooral niemand hem zou betrappen.


Nu mijn verzoek: zou je misschien onverwijld van start kunnen gaan met het schrijven van Marietje Appelgat 2 t/m 5??! Het is namelijk niet de eerste keer dat ik groot enthousiasme merk t.a.v. dit boek. (O ja, tot en met 6 mag ook. Succes!)
Grappig genoeg werd de opening van Marietje meteen afgelopen vrijdag ingezet bij de voorleeswedstrijd op dezelfde school. Ik zat in de jury, zodoende was ik erbij. Het meisje dat voorlas vertelde meteen dat ze het boek nog maar net had leren kennen, bij mij in de 'les' dus. Je had het gegrinnik en gegriezel in de zaal moeten horen! Het is echt een heerlijk boek. Wat ongelooflijk stom, dat ze het niet herdrukken. Het wordt gewoon opnieuw een hit, dat is duidelijk!’

 

Anneke heeft een punt. Op bol.com wordt Marietje Appelgat - over een meisje dat zó stinkt, dat vliegen liever háár hebben dan verse paardenstront - voor maar liefst 27,50 en voor 34,70 euro te koop aangeboden. Tweedehands dus, want het is nieuw niet leverbaar. Het boek heeft al talloze herdrukken beleefd sinds het in 1994 uitkwam. Altijd als ik me in het openbaar vertoon, kom ik wel een leerkracht tegen die zegt dat ze al twintig jaar niet kan laten het voor te lezen.
Ik belde de uitgeefster en vroeg of het opnieuw de markt op mocht. Ze zei nee. Ik durfde niet te vragen waarom - ik kan niet met afwijzing omgaan, dan klap ik dicht.

 

Er zit dus voor gretige leerkrachten maar één ding op: aan het e-book. Ik geef toe: het is geen pan, zo voor de klas, en het lijkt wel of Marietje ook minder stinkt. Maar het verhaal is het verhaal. Misschien moet het. En de elektronische versie kost niks, 4,95 euro maar. Zet dan desnoods het omslag van Elly Hees maar op het bord. Kost ook niks.

 

Ik heb al mijn 7000 boeken gewoon nog van papier in huis. Geen stukje wand voor geinige hebbedingetjes; boeken nemen bij ons langzamerhand de boel over. Niks mee te maken. Als de Grote Kladderadatsch uitbreekt, en alles met een snoertje valt in één klap uit, dan heb ik tenminste nog genoeg te doen.


Maar voor jullie, juffen, zit er niets anders op: adopteer Marietje in hemelsnaam dan maar in de vorm van pixels. Dan zal ik zinnen op die vervolgen -  want Darma Appelgat blijkt maar een armzalige vervangster.


20/02/15

Jonge Jury

Lees meer

Annika tipt Kathelijne van Kenau voor de Jonge Jury. Lees hier waarom.

 

 

Tussen wal en schip

 

Een aantal jaar geleden stond er plotseling een boek van mij op de longlist voor de Jonge Jury. Yes, dacht ik, eindelijk heb ik ze te pakken, die rotmeiden.

 

Nee dus. Ik kwam er niet aan te pas, qua stemmen. Ik liep er de hele dag voor spek en bonen bij.

 

Maar al rondlopend had ik de tijd om te kijken en en ik zag allemaal leuke lezers. Geen stomme pubers onder de plaknagels en de neptattoos, maar meisjes met herseninhoud. (Jaja, dat kan ook best samengaan, weet ik wel. Ik hou zelf ook van verkleden. Mijn hersens zijn ook niet uitgegaan toen ik een tatoeage nam.) In ieder geval liep er een soort volkje rond waarvan ik dacht: die móét ik toch te pakken kunnen krijgen.

 

Ik val als schrijver heel ongelukkig tussen wal en schip. Ik schrijf te toegankelijk voor de goudenprijzenjury’s, die kicken op aanstellerige zinnetjes. (Wat een misverstand!) En ik schrijf te ‘moeilijk’ voor de massa. Op die dag een aantal jaren geleden dacht ik: dan moet Mohammed maar naar de berg komen, dat wil zeggen: ik ga zelf de massa opzoeken. Een Jonge Jury-prijs is sowieso het leukste. Ik schrijf - dacht ik dus - gewoon een roze boek en dan vinden ze dat prachtig en dan kiezen ze mij en dan ben ik binnen en dan koop ik een huis naast Maren Stoffels.

 

Toen ik eenmaal begon te schrijven, werd het boek helemaal niet roze. Het heette wel Feest, maar een feest was het geenszins. Want het eindigde met een bloedplas op de tegels van een tuinterras. Je mocht naar internet om een ander einde te lezen als de dood van deze hoofdpersoon je niet beviel - maar daar las je dan hoe iemand anders doodging. Een gitzwart boek was het geworden.

 

Roze zit gewoon niet in me. Ik was een doodongelukkige puber en dat is wel overgegaan, maar vergeten kan ik het nooit. Het kruipt in mijn verhalen en het laat zich er niet uit knijpen. Een goed verhaal gaat altijd minstens een beetje over jezelf, en als anderen daar niet vrolijk van worden, heb je gewoon vette pech.

 

Kathelijne van Kenau was een tussendoortje, een opdracht, een verhaal dat ik niet zelf had bedacht, want er was al een film. Maar in de tijd dat ik eraan werkte lag mijn vader op apegapen, om uiteindelijk dood te gaan. Ik werkte tussen het boterhammen smeren door met mijn voorhistorische tablet op schoot verder aan het verhaal. Heel onhandig, maar het moest wel want de deadline was al verstreken.

 

Mensen die doodgaan zijn niet altijd op hun vriendelijkst, maar ik had wel verdriet en dat werd alleen maar erger onder al dat gemopper. Ik zat daardoor tijdens het schrijven dicht bij mijn ongelukkigepubergevoel. Mijn vader was niet te redden, maar het boek is dankij hem wel beter geworden, denk ik.

 

Ik weet niet of het daaraan ligt dat een geheimzinnige Annika dit boek verkoos tot haar favoriet en mij weer op de Jonge Jury-kaart zette. Misschien is het helemaal mijn verdienste niet, maar komt het door Marnie Blok en Karen van Holst Pellekaan die het scenario voor Kenau-de-film hadden geschreven. Roze is dit boek weer niet geworden, ik moest er zelf van slikken. Zelfs nog terwijl ik de drukproeven nakeek - waarbij je tranen helemaal niet kunt gebruiken. Hoe dan ook ben ik aptetrots: ik tel plotseling weer even mee. Schijnbaar. Want ik besef natuurlijk best dat ik weer voor spek en bonen meedoe.

 

Maar toch. Bedankt voor die ene stem, Annika. Trouwens, bij ieder boek is het eigenlijk al voldoende als één lezer het mooi vindt. En dat geldt zéker voor schrijvers tussen wal en schip.


Lydia Rood